Welke woorden zet je in een OC-hulpmiddel als je bij nul begint? Een mix van drie families: een paar veelgebruikte woorden die overal van pas komen, de woorden van de activiteiten van de persoon en zijn eigen woorden. Hieronder een eerste lijst in het Nederlands en een methode om de woordenschat te ordenen en te laten meegroeien.
Kern, rand, persoonlijk: de drie families woorden
KernVeelgebruikte woorden die overal van pas komen
RandDe woorden van een thema, vooral zelfstandige naamwoorden
PersoonlijkNaasten, plekken, passies
- De kernwoordenschat (core vocabulary): heel veelgebruikte woorden, door veel mensen in veel situaties gebruikt. Vooral kleine grammaticale woordjes (‘de’, ‘naar’, ‘dat’) en een paar gewone woorden (‘gaan’, ‘willen’, ‘nog’).
- De randwoordenschat: de woorden van een thema, vooral zelfstandige naamwoorden (‘glijbaan’, ‘appelmoes’, ‘oplader’). Zonder die woorden kun je ‘ik wil dat’ zeggen, maar niet ‘ik wil appelmoes’.
- De persoonlijke woorden: namen, het huisdier, vertrouwde plekken, passies. Alleen de persoon en zijn naasten kunnen ze aanleveren.
Je leest vaak dat ‘80% van wat we zeggen kernwoorden zijn, 20% randwoorden’. Het boekje dat dit cijfer bekend heeft gemaakt, noemt geen enkele studie: het is een grootteorde, geen onderzoeksresultaat.
Met welke woorden begin je?
Kernwoorden zijn nodig, maar nooit genoeg. De gepubliceerde lijsten zijn gebaseerd op de taal van oudere sprekers, overlappen weinig en lijken nauwelijks op de echte eerste woorden van jonge kinderen (Laubscher & Light, 2018). Bij kinderen met een typische ontwikkeling zijn de eerste 50 woorden voor 60 tot 65% zelfstandige naamwoorden, voor 14 tot 19% doe-woorden en voor maar 0 tot 4% grammaticale woorden (Fenson et al., 2007).
Wie begint, start dus niet met een rooster vol kernwoorden, maar met:
- persoonlijke woorden die motiveren: naasten, de knuffel, de favoriete tekenfilm, het lievelingsdrankje;
- een paar krachtige woorden die geen zelfstandig naamwoord zijn: ‘nog’, ‘klaar’, ‘stop’, ‘nee’, ‘wil’, ‘help me’, ‘gaan’, ‘openmaken’, ‘kijken’, ‘wat?’, ‘hallo’, ‘oeps’.
Rond de vijftig woorden, als er combinaties verschijnen, voeg je voornaamwoorden, werkwoorden en woorden om te beschrijven toe; de kleine grammaticale woordjes komen met de grammatica. Het alfabet is er vanaf het begin. Elke lijst sorteer je samen met de persoon en zijn naasten (Yorkston et al., 1990). Drie tips voor de eerste weken:
- Oefen ‘ik wil’ niet te veel. De eerste combinaties kunnen vaak zonder: ‘nog kietelen’, ‘mama kom’.
- Geef al vroeg woorden om te weigeren (‘stop’, ‘klaar’, ‘niet’) en jokerwoorden: ‘dat’ met een wijsgebaar, ‘doen’ voor een werkwoord dat ontbreekt.
- Kies 3 tot 5 doelwoorden en gebruik ze zelf op het hulpmiddel tijdens favoriete momenten: dat is modelleren.
De eerste 50 woorden, aangepast aan het Nederlands
De bekendste Engelse lijst van ‘eerste 50 kernwoorden’ komt van de uitgever Prentke Romich (PRC) en is de rode draad van het boekje Teaching Core Words Across the Day (Liberator). Bijna geen enkel woord is een zelfstandig naamwoord. Hieronder een Nederlandse aanpassing, met de woorden van de Nederlandse Pictalk-woordenschatten.
| Functie | Woorden | Goed om te weten |
|---|---|---|
| Iets vragen | nog, wil, help me | ‘nog’ betekent ‘meer’ en ‘nog een keer’ |
| Iets laten doen | gaan, kom, pakken, doen, zetten, spelen, lezen, kijken, openmaken, dichtmaken, eten, drinken | de gebiedende wijs (‘kom’) is de natuurlijke vorm met één woord |
| Stoppen, veranderen | stop, hou op, klaar, niet, geen, ander, zover | ‘wil niet’ is genoeg; bij een ding zeg je ‘geen’ (‘geen soep’) |
| Beschrijven, mening geven | houden van, lekker, goed, niet lekker, groot, klein, snel, langzaam, zoals | ‘lekker’ (smaak) is niet hetzelfde als ‘goed’ |
| Gevoelens en lichaam | blij, verdrietig, boos, me voelen, het doet pijn, ziek | ‘het doet pijn’ werkt los, en past bij de vraag ‘waar doet het pijn?’ |
| Personen | ik, mij, van mij, mijn, jij, jou, jullie, dat | ‘ik’ als onderwerp, ‘mij’ na een werkwoord (‘help mij’) |
| Plaats, richting | in, buiten, op, boven, beneden, aanzetten, uitzetten, uitdoen | één Engels woord vertaal je hier op meerdere manieren |
| Vragen stellen | wat, wat is dat? | met een wijsgebaar |
| Reageren | au, bah, oeps, mjam, leuk, wat gaaf | deze tussenwerpsels komen vanzelf |
| Kleuren | rood, blauw, groen, geel… | de verbuiging telt: de rode bal |
Wat het Nederlands samenvoegt en wat het splitst
Een Engelse lijst woord voor woord vertalen werkt niet. Het Nederlands voegt meerdere Engelse kernwoorden samen:
- nog dekt more en again (‘nog sap’, ‘nog een keer’), precies zoals jonge kinderen het zeggen;
- pakken dekt een groot deel van get en take;
- leuk dekt fun, nice en cool;
- dat dekt met een wijsgebaar it, this en that, en wijst alles aan (‘ik wil dat’).
Andere splitst het juist: on/off wordt ‘aan / uit’ (het licht), ‘aandoen / uitdoen’ (kleren) of ‘op’ (op de tafel), afhankelijk van de betekenis; put wordt ‘zetten’, ‘leggen’ of ‘stoppen’; up/down wordt ‘boven / beneden’ of ‘omhoog / omlaag’. Daar komen de- en het-woorden bij, de verbuiging (groot, grote), de vervoeging, de woordvolgorde (‘ik wil sap drinken’) en de keuze tussen ‘jij’ en ‘u’: ook in het Nederlands is grammatica geen bijzaak. Buddy vervoegt trouwens automatisch (‘ik willen eten’ wordt ‘ik wil eten’).
Denk ook aan de woorden die de persoon nodig zal hebben
Een ander onderscheid helpt om niets te vergeten (Vanderheiden & Kelso, 1987):
- De dekkende woordenschat: wat de persoon moet kunnen zeggen, ook al is het zelden: zijn behoeften, sociale formules, behoeften die met zijn beperking te maken hebben (‘leg me anders neer’, ‘ik krijg geen lucht’) en de woorden van elke situatie (een verjaardag, een afspraak bij de fysiotherapeut).
- De ontwikkelingswoordenschat: woorden die de persoon nog niet kent, vooraf klaargezet zodat de omgeving ze kan aanwijzen tijdens een nieuwe ervaring. Voeg voor een eerste bezoek aan het circus ‘clown’, ‘leeuw’, ‘grappig’, ‘dat is eng’ toe. Kent hij ‘wat’, ‘wie’ en ‘waar’, voeg dan ‘waarom’, ‘hoe’ en ‘wanneer’ toe.
- De versnellingswoordenschat: lange boodschappen die vaak terugkomen, in hun geheel opgeslagen om tijd te winnen. Zie de kant-en-klare zinnen.
Kant-en-klare woordenschatten vergeten vaak de woorden voor het lichaam, pijn en fijnere gevoelens: die komen aan bod in Lichaam, pijn, toestemming. Kies voor een tiener ook woorden die bij zijn leeftijd passen, niet die van een kind van 4.
Woorden ordenen: per categorie of per activiteit?
- Per categorie (mensen, eten, kleren, plaatsen): logisch voor een volwassene, maar kinderen beginnen woorden pas rond 6 à 7 jaar zo te ordenen (Fallon, Light & Achenbach, 2003). En voor ‘ik ben gisteren bij oma geweest’ moet je meerdere keren van pagina wisselen.
- Per activiteit (in bad, het tussendoortje, de pauze): zo groeperen jonge kinderen woorden. Het risico: veelgebruikte woorden staan van pagina tot pagina op een andere plek.
De aanbevolen oplossing combineert beide: thema- of activiteitspagina’s, en een vaste strook kernwoorden die op alle pagina’s op dezelfde plek blijft. Een themapagina mag niet alleen zelfstandige naamwoorden bevatten: er horen werkwoorden bij, woorden om te beschrijven en woorden om te weigeren, anders leert de persoon benoemen, niet praten. Op de pagina Drinken van PicTalk Basis 24 komt bijvoorbeeld eerst ‘ik wil drinken’, dan ‘inschenken’, ‘proeven’, ‘vullen’, en pas daarna water, melk, sap of limonadesiroop.
Aantal vakjes en vaste posities: zie Het rooster indelen.
Personaliseren: wie kiest de woorden?
Geen enkele kant-en-klare woordenschat kent de naam van het kleine zusje of de tekenfilm van het moment.
- Vraag het aan meerdere mensen. Ouders, logopedisten en leerkrachten noemen elk woorden die de anderen niet noemden (Morrow et al., 1993). De persoon zelf heeft het laatste woord.
- Observeer echte activiteiten: welke woorden gebruiken de andere kinderen in de pauze of bij voetbal?
- Vul de klaargezette vakjes in ([mijn voornaam], [mijn lievelingseten], [mijn liedjes]) en voeg je eigen foto’s toe.
- Voeg woorden op het juiste moment toe. Een woord dat je tijdens de activiteit toevoegt, als de persoon het nodig heeft, levert meer beurten in het gesprek op dan een lijst die weken van tevoren is voorbereid.
- Ruim op. Archiveer de woorden van een afgerond schoolthema of van de vorige vakantie, zonder ze te wissen als de persoon er nog over wil praten.
Een woordenschat die nooit wordt bijgewerkt, is een veelvoorkomende reden waarom een hulpmiddel niet meer wordt gebruikt: zie Een hulpmiddel kiezen.
En de woordenschatten van Pictalk?
PicTalk Basis 24 (telefoon), PicTalk Springplank 48 en PicTalk Horizon 80 (tablet) zijn drie gratis woordenschatten, gebouwd volgens deze gepubliceerde principes en aangepast aan het Nederlands: elk kernwoord houdt zijn vakje op alle pagina’s, themapagina’s zetten werkwoorden vóór zelfstandige naamwoorden, er zijn vakjes voor je eigen woorden, en Springplank en Horizon hebben extra pagina’s voor tieners. Alle details staan op hun presentatiepagina. Printbare borden vind je op de pagina met materialen.
Veelgestelde vragen
Hoeveel woorden heb je nodig om te beginnen?
Er is geen magisch getal: een paar krachtige woorden en de persoonlijke woorden zijn genoeg, daarna voeg je toe wat nodig is.
Is een papieren versie nodig?
Ja, voor in bad of als de batterij leeg is. Buddy print borden en boekjes vanuit je woordenschat.
Pictalk Buddy brengt OC-borden, een visuele agenda, geleide sequenties en notitieboeken samen, met dezelfde pictogrammen, op Android, iOS, het web en het horloge. Een app met vrije bijdrage (je betaalt wat je wilt), ontwikkeld door een vereniging zonder winstoogmerk. Ontdek Buddy
Bronnen
- Beukelman, D. R., & Light, J. C., 2020, Augmentative & Alternative Communication (5e druk), Paul H. Brookes. Geciteerde studies: Fallon, Light & Achenbach (2003), Fenson et al. (2007), Laubscher & Light (2018), Morrow et al. (1993), Vanderheiden & Kelso (1987), Yorkston et al. (1990).
- Liberator / Prentke Romich Company, Teaching Core Words Across the Day: First 50 Words (editie LAMP Words for Life).